2008 - W. Heerspink en B.J. Finke

W. Heerspink (†) en B.J. Finke, Heerscopinc. De geschiedenis van de erven en geslachten Heerspink 1325-2000. [juryrapport]

Er vond in 2008 geen publieke uitreiking plaats uit piëteit, omdat één van de winnaars (W. Heerspink) inmiddels was overleden.
Het juryrapport:

Juryrapport Nederlandse Prijs voor de Genealogie 2008-2009.

Genealogisch onderzoek in het oosten van ons land is vaak verre van eenvoudig. Dat heeft verschillende oorzaken.
Door een andere juridische structuur van de samenleving en het feit dat een groot aantal boerderijen op het platteland horige of pachterven waren, ontbreekt vaak het type bron dat het genealogisch onderzoek elders zo veraangenaamt. Is daar onderzoek in de diepte - teruggaand in de tijd - meteen mogelijk, hier moet het onderzoek vooral ook in de breedte plaatsvinden. Een bijzondere eigenschap is het gebruik van toenamen. Een plattelandsbewoner heet naar het erf dat hij bewoont. In de meeste stukken komt hij voor zonder patroniem, een enkele keer zelfs alleen met het voorvoegsel "boer". Wanneer dan ook nog dtb ontbreken of slechts een sobere inhoud hebben, wordt het onderzoek wel erg taai. Goed genealogisch onderzoek is daarom onderzoek in de breedte. Het is allereerst onderzoek naar het erf, of meerdere erven met een zelfde naam in een wat ruimere omgeving. Vervolgens kan gezocht worden naar de bewoners, naar de plaats van het erf tussen de omringende erven, naar de verhouding met de eigenaar, naar het type erf: horig, pachter, heel of half erf, keuter. Want horigen trouwden meestal met horigen en
pachtboeren vaak met kinderen van pachtboeren van eenzelfde eigenaar. Wie op die manier buurtschappen in kaart brengt en het erf ziet tussen de andere erven kan daarmee zijn voordeel doen bij het familieonderzoek.
Niet alleen op horige erven, maar ook op pachtboerderijen woonden vaak tientallen, soms meer dan honderd jaar, dezelfde families. Maar de erven gingen niet altijd over van vader op zoon. Ze gingen bijvoorbeeld ook over van vader op de tweede echtgenoot van de moeder op de volgende echtgenoot van diens tweede echtgenote op een kind uit dit laatste huwelijk. En al die pachtboeren gebruikten eenzelfde toenaam: die van het erf. Vestigden nakomelingen uit al die huwelijken zich in een kerkdorp of, verderop, in een stad, dan werd de toenaam meestal een vaste familienaam. Zo ontstonden steeds nieuwe families met eenzelfde naam, ontleend aan een boerderijnaam.

In 2008 verscheen het boek "Heerscopinc. De geschiedenis van de erven en geslachten Heerspink 1325-2000". De auteurs, de heren W. Heerspink en B.J. Finke, beschrijven in dit eerste deel - want er volgt nog meer - drie erven Heerspink, waarvan er twee in het Bentheimse liggen, in Echteler en Klein-Ringe, en één in het Overijsselse Rheeze. In een eerste hoofdstuk, dat uit de literatuur is overgenomen, wordt de betekenis van de naam Heerspink beschreven. Daarna volgen de beschrijvingen van de drie erven: de ligging, onder meer aan de hand van oude kaarten, de historie, de goederen die onder het erf vielen en de economische ontwikkeling door de eeuwen heen, de bezitters, de leenheren en -mannen, de bewoners. Elk onderdeel wordt afgesloten met een genealogie.
Op een voorbeeldige wijze hebben de auteurs alle bronnen die maar mogelijk zijn weten te gebruiken om de problemen, zoals die in de inleiding geschetst, het hoofd te bieden. Zij hebben een onwaarschijnlijke hoeveelheid bronnenmateriaal doorgewerkt, vanaf de Middeleeuwen tot op heden, zowel in ons eigen land als in Duitsland. Het zal moeilijk zijn nog ergens een Heerspink-akte te vinden die niet in dit boek is vermeld. Het is een uitstekend voorbeeld van onderzoek in de breedte.
De vondsten hebben niet alleen geleid tot genealogieën van de families Heerspink en aanverwante families, maar ook tot geschiedschrijving van de erven en de bepaling van hun plaats in de buurtschappen. En dan gaat het hier nog maar om deel I, dat net geen 800 pagina's telt. Dit werk mag worden bestempeld als een standaardwerk: gedegen onderzoek, systematisch uitgewerkt met goede analyses, voorbeeldig geannoteerd, goed leesbaar. Dit is een standaard waar men niet zomaar omheen kan.
Er is overigens wel een klein slakje waar de jury een beetje zout op wil leggen. Op sommige plaatsen wordt in een genealogie tussen de 16e- en 17e-eeuwse opeenvolgende mannelijke bewoners van een erf te snel geconcludeerd dat het mogelijk of waarschijnlijk om vader en zoon gaat. Uit het eerder gezegde is al gebleken dat de familieverbanden ook heel anders zouden kunnen zijn. Men kan in deze tijd vol genealogische virussen niet voorzichtig genoeg zijn. Maar dit slakje verdwijnt in het niet wanneer men het geheel overziet: dit werk heeft een zodanige kwaliteit dat het tot navolging oproept. Wie de inhoud van dit boek bestudeert en zelf voorouders in de besproken streken heeft, wil al tijdens de lezing ervan spoorslags naar het oosten afreizen om zelf de hand aan de ploeg te slaan. Daarom willen wij deze prachtige uitgave bekronen met de Nederlandse Prijs voor de Genealogie 2008-2009.